Het
kerstverhaal
Het verhaal dat hoort bij het kerstfeest*, speelt in de tijd van de
machtige keizer van Rome, keizer
Augustus . Zijn rijk was heel groot, en zijn soldaten
hadden óók het land bezet dat nu Israël heet.
Omdat hij precies wilde weten over hoeveel mensen hij allemaal de baas
was, liet keizer Augustus een volkstelling houden: Iedereen moest zijn
naam laten opschrijven in de plaats waar hij geboren is..
Heel veel mensen moesten daarvoor een reis maken. Zo gingen ook Jozef
en Maria
op reis. Ze woonden in Nazareth, in het noorden, en ze moesten naar
Bethlehem, in het zuiden, want daar kwam Jozefs familie vandaan. Het
waren spannende dagen: De tocht was lang en gevaarlijk: er heerste droogte
en ze moesten oppassen voor rovers.
Bovendien verwachtte Maria een kindje, dat al gauw geboren zou worden.
Toen Jozef en Maria doodmoe bij de poort van Bethlehem aankwamen, hoorden
ze dat er geen plaats in de herberg meer was.
Gelukkig had de herbergier een oplossing. Hij keek Maria zo eens aan
en zei: "Als u genoegen wilt nemen met een plekje in de stal… Het is
niet erg mooi, maar het is er lekker warm, en op stro kun je heerlijk
slapen."
En zo gebeurde het.
Toen, in die nacht, werd het kindje Jezus geboren. Maria wikkelde hem
in doeken en legde hem in een kribbe.
En de os
en de ezel, keken nieuwsgierig toe.
Ze kregen al gauw bezoek:
Die nacht hielden herders de wacht bij hun
schapen, net buiten de stad.
Opeens werd alles op die plek wonderlijk licht. En er stond een engel
bij hen. Ze schrokken vreselijk, maar de engel zei: "Niet bang zijn,
ik heb een geweldig bericht. Er is zojuist in de stad een kind geboren,
en dat kind is de koning van de vrede. Je zult het kind vinden in een
kribbe, in doeken gewikkeld."
Toen was er ineens een heel hemelkoor van engelen die zongen: "Ere zij
God, en vrede op aarde, want God houdt van de mensen." En toen alles
er weer gewoon uit zag, zijn de herders snel naar Bethlehem gegaan:
ze wilden het kindje Jezus zien dat de koning is van de vrede.
Er
kwamen nog andere bezoekers:
Ver weg in het oosten woonden drie wijzen.
Die wisten alles van de sterren.
Ze ontdekten een heel bijzondere ster, en ze begrepen, dat ergens een
koning geboren moest zijn. Ze zadelden hun kamelen en gingen op reis,
door de woestijn, en de ster schoof langs de hemel voor hen uit, om
deweg te wijzen.
En zo kwamen ze in de hoofdstad Jeruzalem, in het paleis van koning Herodes. Daar wilden ze gaan knielen voor die nieuwe koning, want ze
dachten dat hij daar geboren zou zijn.
Maar koning Herodes wist nergens van, en hij schrok vreselijk: zou een
nieuwe koning hem willen verjagen?
Hij vroeg aan zijn geleerden:
"Kunnen jullie in de oude boeken vinden, of dat waar kan zijn van
die nieuwgeboren koning?"
En ja hoor: "Die is geboren in Bethlehem " zeiden ze.
Toen bedacht koning Herodes stiekem een heel gemeen plan, maar vertelde
niets aan zijn bezoekers. Hij stuurde de wijzen door, naar Bethlehem,
en hij zei: "Zodra jullie dat kind gevonden hebben, moeten jullie
het mij komen vertellen, dan kan ik ook voor hem gaan knielen."
Zo reisden de wijzen verder, en de ster wees de weg. Opeens bleef de
ster staan, en zo wisten ze: hier moet het zijn. En jawel, daar was
het kind, de koning van de vrede, en dat was Maria, zijn moeder. En
ze knielden neer, en gaven hen kostbare cadeaus: goud en wierook en
een kruikje mirre, dat is kostbare zalfolie.
En iedereen was gelukkig.
De wijzen zijn niet meer bij koning Herodes langsgegaan. Herodes was
een slecht mens. Hij wilde niet knielen, hij wilde het kindje Jezus
vermoorden. Gelukkig hebben de wijzen dat begrepen: God heeft het ze
in een droom laten weten. Toen zijn ze langs een andere weg naar hun
land teruggegaan.
*Naar bijbelverhalen in Lucas 2 en Mattheus 2
Vorige pagina